Blog


In hoeverre kan Nederland zelfvoorzienend worden in haar sojagebruik voor veevoer?

09-08-2021

Soja is het meest verhandelde landbouwproduct ter wereld. Er is een grote vraag naar soja en andere eiwitgewassen in Europa, waardoor erg grote hoeveelheden worden geïmporteerd. In de jaren 2018/2019 werd er bijvoorbeeld 15.1 ton sojameel geïmporteerd in de EU, waarvan 60% afkomstig was uit de VS en 32% uit Brazilië. Omgerekend gaat dit ongeveer om 7.4 miljoen hectares land. De import van soja door de EU veroorzaakt grote milieuschade dan met name ontbossing, namelijk 89.047 hectare per jaar in de jaren 2005-2017. In 2021 publiceerde het WNF een rapport dat concludeerde dat Nederland in de top vijf stond van Europese landen die bijdragen aan ontbossing. Het rapport kreeg veel aandacht in de pers, onder andere bij de NOS.

In 2018 heeft Europese Commissie de lidstaten opgeroepen om een nationale eiwitstrategie vorm te geven om als Europese Unie minder afhankelijk te worden van importstromen. In 2020 kwam het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met de Nationale Eiwitstrategie (NES). Deze Nationale Eiwitstrategie heeft als doel om de komende 5 tot 10 jaar de zelfvoorzieningsgraad van nieuwe en plantaardige eiwitten bijvoorbeeld door eiwitgewassen zoals soja te vergroten, op een duurzame manier die bijdraagt aan de gezondheid van mens, dier en natuurlijke omgeving (LNV, 2020).

Bachelorstudent Jort Jorritsma heeft in zijn scriptie voor het Bachelor programma Aarde, Economie en Duurzaamheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam onder begeleiding van Dr. Franziska Komossa onderzocht in hoeverre Nederland minder afhankelijk kan worden van de import van soja voor veevoer. Hij deed dit door huidige Nederlandse productie van soja te vergelijken met de huidige vraag naar soja voor veevoer in Nederland. Ook heeft hij drie verschillende maatregelen geanalyseerd die de mate van zelfvoorziening in Nederland zouden kunnen vergroten.

Jorritsma heeft in zijn onderzoek aangetoond dat zelfvoorziening in soja in de Nederlandse landbouw een onrealistisch streven is. Zelfs wanneer de veestapel in 2050 met 42% gekrompen zou zijn, zo toont zijn onderzoek aan, moet er op meer dan 300.000 hectare soja worden verbouwd. Dit zou betekenen dat op bijna de helft van het akkerland in Nederland soja zou moeten worden verbouwd.

Om dichter bij zelfvoorziening te komen, zou ten eerste de opbrengst per hectare van soja kunnen worden verhoogd met 20-25% door het gebruiken van andere rassen dan het vaak gebruikte Adsoy. De rassen Obelix en Merlin lijken het meest geschikt. Zij hebben onder andere beide een hogere opbrengst dan dat van Adsoy. Ten tweede is gekeken naar het vergroten van het soja-areaal in Nederland. De Green Deal Soja in Nederland en de Nationale Eiwitstrategie behelzen ambitieuze plannen om het areaal soja flink te vergroten. Om dit te realiseren moet de productie van soja echter eerst winstgevender worden. Als laatste is gekeken naar het inkrimpen van de veestapel. Dit is een zwaarbeladen thema waar economische baten tegenover ecologische schade staan. Onderzoek laat zien dat bij de keuze voor de meest natuur inclusieve vorm van landbouw, de veestapel in 2050 met 42% kan inkrimpen. Vergroting van het soja-areaal en inkrimpen van de veestapel zou natuurlijk weer tot afwegingen leiden m.b.t. het verbouwen of potentieel importeren van andere gewassen, iets waar volgens Jorritsma in de toekomst meer onderzoek naar gedaan moet worden.

Ondanks deze resultaten zou ook een kleinschaligere teelt van soja en andere eiwitgewassen zoals bv. lupine en tuinbonen in Nederland al positieve ecologische effecten met zich meebrengen.


Transitie naar plantaardige proteïnen: hoe staan we ervoor?

09-08-2021

Hotspot kaart (links) en kaart over samenstelling van het cluster (rechts)

In de media wordt er vaak gesproken over een energietransitie. Maar dat is volgens Masterstudent Charles Cooper niet de enige transitie die nodig is voor een duurzame toekomst van Nederland. Nederland beschikt over een significante veestapel. Het vee moet worden gevoerd en dat gebeurt met onder andere grote hoeveelheden sojameel, dat geïmporteerd moet worden uit onder andere Brazilië en de VS. Het verbouwen van soja zorgt dan ook voor grootschalige ontbossing en andere milieuschade in deze landen. In Nederland zou het verbouwen van soja echter een voordelig effect kunnen hebben. Soja en andere eiwitgewassen kunnen namelijk met behulp van een symbiose met de Rhizobium-bacterie stikstof uit de lucht te binden. Dit zou kunnen bijdragen aan het verminderen van de Nederlandse stikstofcrisis die recentelijke ervoor zorgde dat veel projecten in de woningbouw, landbouw en infrastructuur stil kwamen te liggen.

In zijn scriptie van het Master programma Environment & Resource Management aan de Vrije Universiteit Amsterdam keek Cooper onder begeleiding van Dr. Franziska Komossa naar een potentiele transitie naar een waardeketen – dus van productie naar consumptie – van plantaardige proteïne in Nederland, om de vraag naar geïmporteerde soja te minimeren. Om zo’n transitie op gang te krijgen is het volgens Cooper noodzakelijk dat boeren kunnen zien wat de huidige marktkansen zijn en welke ondersteunende structuren er al zijn om een succesvolle oogst met hoge opbrengsten te realiseren. Zulke structuren worden een cluster genoemd. Een cluster verbindt verschillende schakels in de waardeketen met elkaar. Zulke schakels in een proteïne-cluster zijn leveranciers, voedselfabrikanten, de detailhandel, cateraars en anderen die zich bezig houden met plantaardige proteïnes. De Europese Commissie ondersteunt de bevordering van een proteïne-cluster in Europa, omdat clusters belangrijke middelen zijn in regionale economische groei. Een cluster kan, door betere samenwerking tussen de schakels en hun nabijheid ten opzichte van elkaar, de juiste omstandigheden creëren voor innovaties. Het meest bekende voorbeeld in Nederland is het cluster van de bloemenbollen tussen Amsterdam en Rotterdam.

In zijn skriptie brengt Cooper het huidige proteïne-cluster in Nederland in kaart. Hij gebruikte hiervoor data van het Proteïne Cluster project dat in 2017 door Foodvalley Nederland en Oost Nederland in samenwerking met de provincies Gelderland en Overijssel werd gelanceerd. In de erop volgende jaren is het cluster uitgebreid met de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Flevoland en telt nu in 2021 65 leden. Cooper heeft de samenstelling van het cluster geanalyseerd en gevonden dat 22% ervan bestond uit kennisinstituten, 22% uit producenten en 18% uit non-financiële dienstverleners. De kaart die Cooper heeft ontwikkeld laat zien dat het cluster nog niet heel homogeen is en wat hotspots toont. Een hotspot van het cluster was duidelijke te herkennen op de grens tussen de provincies Utrecht een Gelderland, precies waar Wageningen ligt. Wageningen staat niet alleen bekend voor zijn universiteit of het Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek maar ook voor de Foodvalley, een grote agri-food cluster.

Cooper constateert dat meer onderzoek nodig is om te kijken hoe groei van het huidige cluster gestimuleerd kan worden en met name welke rol de verschillende leden in het cluster daarbij spelen.